slotenmaker Oostende Opties

Op de verdere wandeling over de Antieke Langendijk vindt het oog ons ledig staande brouwerij, die weleer werd gedreven via toentertijd zaligen Joost Gerritsz betreffende Ylen; ons aangaande een heleboel, welke sedert 1600 werden verlaten of uitgebroken, waarover Bleyswijck schrijft.

Het komt mijzelf vanwege, het Met Mierevelt, welke in verschillende genres moet beschikken over uitgemunt dit portretteren tot bestaan hoofdstudie maakte om de overweging, het dit produceren aangaande portretten voordeliger uitkomsten beloofde dan het historische genre, waarin hij overeenkomstig het oordeel van ‘konstverstandigen’ indien deze "daer sijn stuck af gemaeckt had", zeker alsnog heel wat treffelijker spullen zou beschikken over voortgebracht, dan deze in een uitstekende afbeeldingen met allerhande potentaten en goede ‘personagiën’ vermocht te doen. Deze bracht zodoende een les van Cicero: -

Met het zesde huis, van dit Bagijnhof gerekend, thans (in 1882) via de oud-assistent resident Van den Bor bewoond, wordt ‘ritmeester Rhijoven’ zodra „huyrder over den adocaat Barnevelt, eygenaer” opgegeven. (Bestaan volle benaming was Joncker Louys de la Catulle, Heere betreffende Rijhove) Het huis bevatte 8 haardsteden. In dit huis daaraanvolgende resideerde ‘den Prince met Poortugael’. Overeenkomstig aangifte met `s Prinsen diena­ren was dit met 9 haardsteden voorzien, een getal dat via slechts één enkel woonhuis in welke buurt werd be­reikt.

Delft was voor hem uiteraard de aangewezen regio waar Hugo de Omvangrijk in brons ofwel marmer moest verrijzen. Na drie eeuwen schijnt een tijd daar te zijn, teneinde een wenk over een onsterfelijke Joost te volgen en ‘dit Hollandsch Lichtwegend’ ons beeld ‘te stellen’, niet ‘daar te stellen’, waar dit begon te gloren. [In de 20ste eeuw bezit Delft zichzelf daarna in het bijzonder druk gemaakt waar Hugo mocht aankomen ogen.]

Een buurman ernaast oefende ‘Inde Drie Candelaers’ dit schrijnwerkersvak uit. Nog ons lakenbereider, in wiens woonhuis ons gevelsteen prijkte betreffende een afbeelding, waaronder stond te lezen ‘Inde Schaepscoy’ wegens degenen welke het konden. Wegens de ongeletterden, wier reeks toentertijd bijzonder groot was, gaf de duidelijke voorstelling van een schaapskooi aanwijzing in overvloed teneinde te mogen weten daar waar zij Corstiaen Cornelisz hadden te uitkijken.

Dat de Gemeente ons gerenomeerde kunstenaar en zijn mooie collectie in de deuren heeft zou ze betreffende trots en eerbied behoren te vervullen.

) jaar geleden schreef van Bleyswijck in zijn Beschrijving aangaande Delft, van dit Groote of Oude Bagijnhof sprekend, het dit had “ons groote ruyme poort voor aen straet, hedendaegs om redenen sonder deuren, en by avond soowel indien des daegs altijt ongesloten, dragende in haer voorhoof ons oude vervallen en mismaeckte Basreleve aangaande witen Orduyn, zijnde ons St. Antonis tentatie ofwel soo wat diergelijcks”.

En we roepen u zodra Gemeentebestuur met Den Helder op teneinde een eindpunt te maken met deze slotenmaker Borsbeek beschamende situatie en het Rob Scholte Museum toch nog perfect te steunen en de op 9 december vastgelegde afspraken, buiten nieuwe condities, na te komen.

Het tegenwoordige gymnasiumgebouw, dat vroeger vijf haardsteden bevatte, had er in 1600 alsnog maar vier. [In 1890 zou het Gymnasium een nieuw gebouw daarachter krijgen op een hoek met een huidige Barbarasteeg en de Westvest. Een steeg alleen kan zijn een vrij recente creatie.]

Juiste Bagijnhof genaderd staan wij een ogenblik stil voor de poort die er de toegang toe geeft. Jammer, het een allemaal vernielende invloed aangaande de tijd en de werking van wederom en bries tijdens enige eeuwen hoofdhaar zo deerlijk beschikken over geteisterd. Verdere vervolgens 200 (

Het ‘kleyne officie’ behoort onderwijl tot het verleden precies ingeval zoveel ouds, het wanneer achterhaald, niet meer in de tegenwoordige gemeentelijke inrichting schijnt te passen. Momenteel is de politie belast met de zorg welke eerst op een torenwachter rustte. Een trompet is, met een ratels van een klapwakers, een stokken over een ‘dienders’, enz. bijgezet tussen een relikwieën betreffende een oude tijd. Zij ruste in vrede!

Zijn naaste naastwonende was mr. Cornelis Moius, die ‘schoolmeester’ is genoemd. Blijkens een latijnse uitgang over bestaan naam, welke op bestaan Hollands immers Mooy gaat hebhen geklonken, gaat hij aan een Groote ofwel Latijnsche de kleuterschool aaneengehecht zijn geweest als submonitor of onderwijzer, die betrekking thans een titel van leraar, vroeger docent, heeft verkregen.

Ze zette zeker de zaak voort, waaruit mijns inziens kan geraken opgemerkt het Schol geen ‘konstschilder’, doch ons ‘huisschilder’ ofwel ‘verver’ was. Zijn afaire kon via zijn nagelaten vrouw betreffende vreemde hulp worden aangehouden, hetgeen door de weduwe over een collega aangaande Jan Steen ofwel over Mierevelt bezwaarlijk kon geschieden.

In de allereerste plaats worden in dit haardstedenregister vermeld vier woningen, toebehorende aan het Weeshuis. In een tweede en derde daarvan woonden respectievelijk ‘een speldenmaecker’ en de ‘lijndraijer’ over het Weeshuis. Allebei de bedrijven stonden in verband betreffende een toenmalige inrichting over welke instelling, die in de loop der eeuwen, een momentje zodra alle menselijke zaken, met veranderlijke inzichten en aan de oppermachtige geest des tijds bezit dienen te gehoorzamen.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *